Europese autokoper kiest prijs boven principes
Europa ziet zichzelf graag als bakermat van de auto-industrie en hoeder van hoge standaarden. Maar volgens het nieuwste Observatorio Cetelem 2026-onderzoek begint dat zelfbeeld te barsten.
Uit het onderzoek blijkt dat de gemiddelde Europese autokoper bereid is bijna alles op te geven – van royale garanties tot geavanceerde veiligheidssystemen – zolang een nieuwe auto maar goedkoper wordt. Dit lijkt geen tijdelijke dip in de vraag meer, maar een structurele verschuiving. Financiële zorgen winnen het van idealen.
Het onderzoek is uitgevoerd door Observatoire Cetelem, onderdeel van BNP Paribas Personal Finance, en omvatte 15.774 respondenten uit 13 landen in Europa, Turkije, China, Japan en de Verenigde Staten. De data zijn verzameld via online panels in samenwerking met onder meer Harris Interactive. Het bereik is breed, de boodschap onverbloemd.
Opstand tegen regels
Terwijl beleidsmakers in Brussel de emissie- en veiligheidseisen steeds verder aanscherpen, zou 72 procent van de Europeanen liever het tegenovergestelde zien als dat verdere prijsstijgingen voorkomt. In gewone taal: veel kopers nemen genoegen met minder airbags of een vervuilendere motor als dat de rekening drukt.
In Polen en Portugal loopt de steun voor soepelere normen zelfs op tot bijna 80 procent.
Dat levert een ongemakkelijke paradox op. Europa stuurt aan op schonere, veiligere auto’s, maar de consument kiest steeds vaker voor betaalbaarheid boven principes.
Uitbesteden, minder modellen, lagere marges
De drang om te besparen gaat verder.
Zo steunt 56 procent van de ondervraagden het verplaatsen van productie naar goedkopere landen buiten Europa, ook als dat sociale of milieuschade oplevert.
Daarnaast zou 76 procent genoegen nemen met een veel kleiner aanbod aan modellen als dat de productiekosten en verkoopprijzen drukt. Variatie, ooit het handelsmerk van de Europese markt, lijkt ineens inwisselbaar.
Ondertussen vindt 75 procent dat autofabrikanten hun winstmarges tot een minimum moeten beperken, ongeacht de mogelijke economische gevolgen op lange termijn. Populair, maar niet bepaald realistisch.
De stemming is duidelijk: de prijs moet omlaag, wat het ook kost.
Staatssteun, maar voor wie?
Het onderzoek laat ook een verdeeldheid zien over overheidsingrijpen. In Spanje verwacht 84 procent directe aankoopsubsidies van de staat, tien procentpunten boven het Europese gemiddelde. In Duitstalige landen en Nederland is men sceptischer, met zo’n 67 procent.
Er zit een strategisch verschil in. In delen van Zuid-Europa wordt de auto niet meer alleen als privébezit gezien, maar als een sociaal goed waarvan de toegankelijkheid door de staat moet worden gewaarborgd.
Toch daalt het enthousiasme als subsidies naar fabrikanten gaan in plaats van naar kopers. Slechts 57 procent van de Europeanen vindt steun aan fabrieken redelijk. Kiezers zien liever hulp op hun eigen oprit dan op de productievloer.
De realiteit van de tweedehandsmarkt
Als de prijzen van nieuwe auto’s te snel stijgen, kiezen kopers zelden voor groenere alternatieven. Ze houden hun oude auto langer of zoeken goedkopere opties in het oosten.
In heel Europa vindt 66 procent dat gebruikte of gereviseerde auto’s voorrang moeten krijgen boven nieuwe. In landen met een al verouderd wagenpark is dat vaak noodzaak, geen ideologie.
De markt is extreem gevoelig geworden voor autobelastingen, emissieheffingen en regeldruk. Elke extra eis vertaalt zich direct in de showroomprijs, en dat merken kopers.
Je kunt niet alles hebben
De ongemakkelijke waarheid ligt voor het oprapen. Een auto kan niet tegelijk hypermodern, ultraveilig, emissievrij én goedkoop zijn. De natuurwetten en de economie stellen grenzen.
Europese consumenten lijken hun keuze gemaakt te hebben. Ze kiezen voor betaalbaarheid, ook als dat betekent dat ze in een oudere, minder efficiënte auto rijden die bij een ongeluk meer hoop dan zekerheid biedt.
Voor beleidsmakers en fabrikanten is de boodschap ontnuchterend: het morele gelijk heeft een prijskaartje. En dat willen veel kopers nu liever niet betalen.